Geïntegreerde aanpak van knolcyperus (Cyperus esculentus)

Startdatum: 1/04/2021
Einddatum: 30/04/2025
Project type: VLAIO-LA
Contactpersoon Inagro: Danny Callens

Project partners

Inagro vzw
Ugent - Universiteit Gent
HOGENT
PVL - Proef- en Vormingscentrum voor de Landbouw
Hooibeekhoeve

Project inhoud

Geïntegreerde aanpak van knolcyperus (Cyperus esculentus)


Situering

Knolcyperus (Cyperus esculentus) is een erg competitief en reproductief (massale productie van langlevende stengelknolletjes), lastig te bestrijden invasief overblijvend onkruid. Sinds zijn accidentele introductie begin de negentien tachtiger jaren is het onkruid gestaag in opmars in Vlaanderen. Tot voor 2016 was knolcyperus een quarantaine onkruid met meldingsplicht ten aanzien van het FAVV. Sinds 2016 is er geen meldingsplicht meer maar wel een verplichte bestrijding. Een aantal aspecten zijn opgenomen in de IPM checklist met als voornaamste de bestrijdingsplicht, een verbod op het telen van wortel-, knol- en bolgewassen en een melding van het probleemonkruid bij het ter beschikking stellen van het perceel voor seizoenspacht. Er is de vaststelling dat het probleem meestal wordt verzwegen, omdat het net een hypotheek kan leggen op de mogelijk te telen gewassen en dit speelt ook mee bij de mogelijkheden tot seizoenspacht. Ondertussen neemt de verspreiding van het onkruid verder toe en is er nood aan effectieve bestrijdingsstrategieën en verspreiding-mitigerende maatregelen

 

Onderzoeksvragen

Met betrekking tot knolcyperus bestaan er nog tal van vragen rond de vermeerdering, verspreiding en effectieve bestrijding van het onkruid. Gebeurt de voornaamste reproductie en verspreiding via knollen of spelen ook zaden een rol? Welke geïntegreerde beheersingssystemen laten toe om de knollenvoorraad in de bouwvoor snel te verlagen? In welke mate doden bladherbiciden moederknollen en reeds gevormde nieuwe knollen? Hoe kunnen we de werking en/of systemiciteit van bladherbiciden verbeteren via keuze van spuitvolume en behandelingstijdstip? Zijn alle klonen en zaailingen van knolcyperus even gevoelig voor bodem- en bladherbiciden? In welke mate spelen dieren of menselijke activiteiten een rol in de verspreiding? Zijn er ook effectieve innovatieve bestrijdingsmethoden.

 

Doelpubliek

Het project richt zich tot alle land- en tuinbouwers en afnemers en bij uitbreiding de ganse agroketen heeft hier baat bij, inbegrepen voorlichters, loonsproeiers, toeleveranciers, loonwerkers etc.. Immers, indien niet voorzichtig te werk wordt gegaan in de preventieve maatregelen kan in principe elk veld van om het even welke teler worden besmet. Ook afnemers kunnen worden geconfronteerd met dit onkruid, waarbij bepaalde velden niet meer kunnen worden geoogst. Zelfs niet land- en tuinbouwersectoren die in contact komen met knolcyperus (beheerders waterwegen, onverharde terreinen en wegen etc.) hebben baat  bij dit project.

 

Algemeen doel

Het project rust op twee grote pijlers, enerzijds het beperken van verdere verspreiding van knolcyperus naar op vandaag niet besmette percelen en anderzijds de remediëring van haarden in percelen via depletie van de voorraad aan levende knollen in de bouwvoor. Om deze doelstellingen te bereiken zal op cruciale onderzoeksvragen rond knolcyperus een antwoord worden gezocht.

 

​Concrete doelen

Met betrekking tot knolcyperus bestaan nog tal van onderzoeksvragen waarop dit project een antwoord zal bieden. Verspreidt knolcyperus zich voornamelijk via knollen of spelen ook zaden een rol? Welke geïntegreerde beheersingssystemen (oordeelkundige combinaties van cultuurtechnische maatregelen, mechanische, fysische, biologische en chemische methoden) laten snelle depletie van de knollenvoorraad in de bouwvoor toe? In welke mate doden systemische bladherbiciden moederknollen en nieuw gevormde knollen. Wat is de invloed van spuitvolume en groeistadium op herbicidenwerking. Is de respons ten aanzien van beheerssystemen of individuele methoden kloon-afhankelijk. Welke factoren zijn relevant voor de verspreiding? Wat is de bijdrage van dier of mens hierin? Welke innovatieve curatieve bestrijdingsmethoden zijn effectief? Waar kan informatie rond dit onkruid worden teruggevonden?

 

KPI’s

Deze doelstellingen worden vertaald in volgende kritieke prestatie-indicatoren (KPI’s):

- KPI 1: het aantal unieke bedrijven waar een innovatie of verandering in bestrijdingsstrategie wordt opgestart binnen de projectduur. Dit wordt geschat op 60 en 300 na respectievelijk 2 jaar en bij afloop van het project

- KPI 2: het aantal implementaties, lanceringen en/of gebruik van (ver)nieuw(d)e

producten/processen/diensten door de doelgroepbedrijven; dit wordt geschat op 50 en 150 na respectievelijk 2 jaar en bij afloop van het project en tenslotte

- KPI 3: het aantal bedrijfsspecifieke vervolgtrajecten; opvolging/implementatie van de innovatieve bestrijdingstechnieken door niet-doelgroepbedrijven. Dit wordt geschat op 10 en 25 na respectievelijk 2 jaar en bij afloop van het project.

 

Verwachte resultaten en impact

Valorisatie strategie tot minstens 2 jaar na het project

De verworven innovatieve kennis opgedaan tijdens dit project zal behapbaar en klaar voor gebruik worden vastgelegd. Zowel de brochure als de infomomenten die doorheen het project maar ook erna zullen worden georganiseerd, zullen toegankelijk zijn voor alle onafhankelijke alsook private voorlichters. Door het nauw betrekken van de landbouwers in dit project, zullen er in feite ook diverse landbouwer-experten opstaan waardoor de kennis ook gewoon vanuit een lokale landbouwer op kleine schaal kan overgebracht worden op andere landbouwers in de regio. Verder zal de kennis uit de brochure door iedereen aangewend kunnen worden in cursussen, opleidingen etc.

 

Verwachte economische impact

Er kan gesteld worden dat elk veld potentieel kan geïnfecteerd worden door knolcyperus, waardoor een verbod op het telen van wortel-, bol- en knolgewassen in voege treedt. In totaliteit kunnen dus 600.000 ha en 20.000 telers worden getroffen in Vlaanderen. De economische schade die hiermee gepaard gaat is zeer moeilijk in te schatten. In de regio Kempen-Maasland bijvoorbeeld is momenteel minimaal 1300 ha ongeschikt voor de teelt van diverse industriegewassen. De problematiek kan zich uiteraard voordoen in gans Vlaanderen.


Projectpartners

Inagro vzw (hoofdaanvrager): Danny Callens – Ellen Pauwelyn
Universiteit Ghent: Benny De Cauwer – Jeroen Fey
Hogeschool Gent: Joos Latré - Jasper Gosseye - Elias van de Vijver
Proef- en Vormingscentrum voor de Landbouw vzw (PVL): Shana Clercx en Sander Palmans
Hooibeekhoeve: Gert Van de Ven



Financiers

VLAIO